Scheiding tussen kerk en staat

grondwetHet beginsel van scheiding van kerk en staat is niet in de Nederlandse Grondwet of in internationale verdragen vastgelegd. Het vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid en het discriminatieverbod, die wel een wettelijke verankering kennen (respectievelijk artikel 6 en artikel 1 van de Grondwet).

Artikel 1 Grondwet

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Artikel 6 Grondwet

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 9 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.
  2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Geschiedenis

Van scheiding van kerk en staat is sprake wanneer de kerkelijke macht en staatkundige macht niet in dezelfde handen zijn en zij geen beslissende invloed op elkaar uitoefenen.
Het betekent dat de staat en de kerk ieder hun eigen zaken regelen en zich niet met elkaar bemoeien of elkaar de regels voorschrijven. Het gaat bij deze scheiding dus in de eerste plaats om het organisatorisch en bestuurlijk gescheiden houden van deze twee grootheden. De overheidsdienaren bemoeien zich niet met de kerk en de dienaren van de kerk bemoeien zich niet met de staat. Aanhangers van het secularisme beijveren zich in de regel voor deze scheiding.
De scheiding van kerk en staat betekent dus niet de scheiding van religie en politiek, al is dat een gangbare misvatting.

In de Middeleeuwen konden in Europa de kerkelijke en politieke bevoegdheden door zowel kerkelijke als wereldlijke overheden worden uitgeoefend. Tot op de dag van vandaag is dit het geval in het Vaticaan. De Paus is naast geestelijk leider van de roomse kerk ook wereldlijk leider van Vaticaanstad. In diverse landen kent men nog het beginsel van een staatsgodsdienst, waar de staat privileges aan een bepaalde kerk ter beschikking stelt en ook duidelijke bevoegdheden heeft in de kerk bijvoorbeeld bij benoeming van geestelijken.

jacob cats

In 1795 werd in Nederland, toen nog de Bataafse Republiek, door de Fransen de scheiding van kerk en staat ingevoerd. Deze is echter onvolledig.
Ook de Nederlandse staat betaalde compensatie voor de onteigeningen tijdens de Franse Revolutie, maar daaraan kwam met een eenmalige afkoopsom door de overheid een eind in 1983, toen de Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk werd ingevoerd.

(Foto: Nationaal Historisch Museum)

 

Voorbeelden van de onvolledige scheiding tussen kerk en staat zijn:

  • Op Prinsjesdag sluit de Koningin de troonrede af met een 'bede'. 
  • De koningin regeert volgens de aanhef van elke wet "bij de gratie Gods". 
  • De Nederlandse 2-euromuntstukken dragen, net als vroeger de guldens en rijksdaalders, als randschrift de tekst "God zij met ons". 
  • In veel gemeenteraden wordt de vergadering geopenend en gesloten met een ambtsgebed. 
  • Een kerkelijk huwelijk mag niet gesloten c.q. bevestigd worden voordat het burgerlijk huwelijk is gesloten. Kerkelijke bedienaren die zich hier niet aan houden zijn strafbaar.
  • De Zondagswet verbiedt openbare vermakelijkheden op zondag voor 13.00 uur. 
  • De Winkeltijdenwet verbiedt openstelling van winkels op de zondag. Wel mogen gemeenteraden maximaal 12 koopzondagen per jaar instellen. Ook mogen zij een bepaald gebied aanwijzen als toeristisch gebied, waarvoor dit verbod niet geldt. 

(Bron: Wikipedia)

Verschillende vraagstukken ten aanzien van conflicterende grondrechten hebben mede betrekking op de uitoefening van de godsdienstvrijheid in de (semi-)publieke ruimte en het beginsel van scheiding van kerk en staat. Gewezen kan worden op de aan- of afwezigheid van gebedsruimten of het dragen van religieuze kleding binnen openbare scholen of in ziekenhuizen. Het beginsel wordt zowel gebruikt als argument voor als tegen dergelijke gedragingen of praktijken. Om die reden is het van belang kort stil te staan bij de betekenis van het beginsel dat als historische verworvenheid van groot belang is.

Het beginsel vindt zijn oorsprong in de Bataafse omwenteling van 1795. Het Unie van Utrechtrondwetgevende orgaan van de Bataafse Republiek decreteerde in 1796 de scheiding van kerk en staat en volledige godsdienstvrijheid voor een ieder. Daarmee kwam een einde aan de sinds de Unie van Utrecht (1579) bevoorrechte status van de Nederlands Hervormde Kerk en nam de overheidsbemoeienis met het godsdienstig leven ook overigens af.

(Foto: Nationaal historisch Museum)

 

Deze ontvlechting van kerk en staat heeft zich via de Bataafse Staatsregelingen en latere constituties en wetgeving verder ontwikkeld. Zo liet de overheid geleidelijk zijn bemoeienis met de interne organisatie van de Hervormde Kerk varen, werd bij een Wet van 1861 het recht van de staat om bij een vacature een predikant voor te dragen of te benoemen opgeheven en kwam bij Wet van 1983 een einde aan de traditionele overheidsverplichtingen met betrekking tot tractementen, pensioenen e.d. van bedienaren van de eredienst.

Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat is een fundamenteel uitgangspunt voor de inrichting van onze democratische rechtsstaat. Het is in belangrijke mate af te leiden uit artikel 6 Gw dat de vrijheid van de belijdenis van godsdienst en levensovertuiging waarborgt, mede in samenhang met art. 1 Gw. De strekking van het beginsel voor vandaag de dag houdt in dat zowel de staat als kerken en andere genootschappen op geestelijke grondslag functioneren als zelfstandige lichamen. Voor de genootschappen op geestelijke grondslag houdt dit onder meer in dat zij zelfstandig hun functionarissen kiezen en dat zij (en hun leden afzonderlijk of gezamenlijk) hun godsdienst of levensovertuiging vrijelijk kunnen bepalen of belijden. Zij bepalen naar eigen inzicht hun geestelijke en institutionele orde.

De staat respecteert deze zelfstandigheid. Hij mag geen dwang uitoefenen ten aanzien van de bestuurlijke organisatie. De staat moet zich onthouden van elke bemoeienis met de belijdenis van de godsdienst of levensovertuiging, onverminderd zijn bevoegdheid en plicht op te treden tegen wie daarbij de wet overtreedt. De genootschappen op geestelijke grondslag dienen door de staat gelijk te worden behandeld. De overheid mag aldus geen partij kiezen voor een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging. Zij is in de bewoordingen van het EHRM een ‘neutral organizer.’ Anderzijds komt de zelfstandigheid van de staat ten opzichte van de genootschappen tot uitdrukking in het gegeven dat de genootschappen en hun functionarissen als zodanig geen publiekrechtelijke bevoegdheden bezitten.

Zolang aan voornoemde voorwaarden wordt voldaan staat het beginsel er niet dwingend aan in de weg dat de overheid zich onder omstandigheden inlaat met godsdienstige aangelegenheden of dat zij refereert aan godsdienstige bronnen dan wel zich daardoor laat inspireren. In die zin hoeft zij niet volstrekt neutraal te zijn. Internationale normen zoals van het EVRM en BUPO bieden hiervoor de ruimte. Zij schrijven niet voor hoe de scheiding tussen kerk en staat precies dient te zijn vormgegeven. Zij vooronderstellen de aanwezigheid van nationale structuren inzake religie en recht en gaan uit van een grote variatie aan verhoudingen tussen kerk en staat, zoals onder andere binnen Europa het geval is.

EVRMZo kennen het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Finland en Denemarken een staatsgodsdienst. In Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg zijn bepaalde godsdiensten officieel erkend en in Frankrijk en Spanje is er een striktere scheiding. Behalve het nationale recht stelt ook het internationale recht enkele minimumwaarborgen aan voornoemde stelsels, zoals het verbod van discriminatie tussen verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen. Zo kan een verschil in behandeling tussen individuen op alle terreinen van het publiek en privaat recht niet worden gerechtvaardigd op grond van het EVRM.

Daarnaast blijkt verregaande overheidsbemoeienis met kerkelijke aangelegenheden of dwang ten gunste van een bepaalde godsdienst al snel te leiden tot schending van het recht op godsdienstvrijheid. Zo mag de overheid zich bij de erkenning van een bepaalde groepering niet laten leiden door het afwijzende oordeel van bepaalde kerkelijke autoriteiten. Ook mag de overheid niet een geestelijke leider sterk begunstigen wanneer er een splitsing binnen een kerk heeft plaatsgevonden. Evenmin mag de overheid een geestelijke het werken onmogelijk maken omdat hij geen officiële aanstelling heeft.

Het tegenwerken van bepaalde van de officiële kerk afwijkende groeperingen door het weigeren van een vergunning om een ruimte voor vieringen te gebruiken levert eveneens een schending van het EVRM op. Bovendien is de eis dat nieuwe parlementsleden eerst een eed op het Nieuwe Testament afleggen niet acceptabel. Omgekeerd dient ‘godsdienst’ niet de verovering van de staatsmacht na te streven. Partijen die een staatsinrichting met theocratische trekken nastreven, mogen volgens het EHRM onder omstandigheden - zoals het vormen van een werkelijk gevaar voor de democratie worden verboden. Aldus zijn er materieeldemocratische grenzen aan de politieke meningsvorming.

(Bron: Nota Grondrechten in een pluriforme samenleving (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 614)) In deze nota gaat het kabinet in op de vraag of verschillende klassieke grondrechten zich nog wel goed tot elkaar verhouden in onze pluriforme samenleving. In het bijzonder gaat het kabinet daarbij in op de verhouding tussen de vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid en het discriminatieverbod, en hiermee verband houdend het beginsel van scheiding van kerk en staat. 

Hieronder volgen de belangrijkste opmerkingen over het denken over religie in Kerk1819Nederland rond 1800. Voor de volledige tekst verwijzen we u naar de bron.

‘Tot ver in de achttiende eeuw was de Nederlandse tolerantiepraktijk (inzage religie, red.) nauwelijks een principiële en vooral een politieke kwestie geweest.’[…] ‘In de laatste decennnia van de achttiende eeuw wint de ideële tolerantie het langzamerhand van de politieke en krijgt het Nederlands tolerantiedenken een nieuwe signatuur. De gelijkstelling van alle godsdiensten, die bij de Staatsregeling van 1798 tot grondrecht werd, vindt in deze nieuwe tolerantie haar voorgeschiedenis. Het veranderende klimaat werd voor het eerst zichtbaar bij het debat over Voltaires Traité sur la tolérance (Bron: Voltaire-Wikipedia) van 1763.’ [...] ‘Voor verdraagzame Nederlandse intellectuelen stond het aan de vooravond van de revolutie buiten kijf dat de tolerantie van de burgerlijke overheid inzake godsdienst geen grenzen hoorde te kennen.’ […] ‘De positie van godsdienst was in de Republiek een fundamenteel andere dan elders in Europa. Ook al had de Reformatie een einde gemaakt aan de eenheid van het middeleeuwse christendom, de meeste Europese staten waren er op de een of andere manier in geslaagd de religieuze eenheid in hun territoria te herstellen.

In het Duitse Rijk was dat gebeurd door de vorst het recht te geven de religie te kiezen; andersdenkenden dienden in de gelegenheid te worden gesteld het gebied te verlaten. In Frankrijk werden de protestanten – en ook de katholieken met afwijkende opvattingen – te vuur en te zwaard bestreden.’ […] ‘In Engeland was de anglicaanse kerk de staatskerk. Alleen in de Republiek had herstel van de religieuze eenheid nooit een kans gekregen en was een politiek compromis noodzakelijk geworden.’ […] ‘Religie was dus explosief materiaal in de Nederlandse politiek en maatschappelijke verhoudingen.’ […] ‘Staat en samenleving worden nu als gescheiden systemen opgevat.’ […] ‘… een nieuw begrip dat zijn intrede doet: het kerkgenootschap.

Een van de eerste keren dat het wordt gebruikt is in de Staatsregeling van 1798, de eerste Nederlandse grondwet). Daarin werd de scheiding van kerk en staat geregeld en kregen de nieuwe ontwikkelingen op religieus gebied een juridische basis.’ […] ‘Een tweede golf van religieus verzet tegen de modernisering van de kerkelijke verhoudingen deed zich in Nederland voor na 1798. Weer vormde kerkgezang en katholieken de steen des aanstoots, maar deze traditionele conflictpunten hadden een nieuwe scherpte gekregen door de invoering van de gelijkstelling van de godsdiensten en de scheiding van kerk en staat bij de afkondiging van de eerste Nederlandse grondwet, de Staatsregeling van 1798.

Stastsregeling 1798Deze grondwetsartikelen, die in feite de juridische uitwerking waren van het debat over de privatisering van de godsdienst in de voorgaande decennia, hielden in dat geen enkele religie meer een strobreed meer in de weg mocht worden gelegd. Ook kwam een eind aan de bemoeienis van de overheid met de interne organisatie van kerkgenootschappen.’ 
(Bron: 1800 : blauwdrukken voor een samenleving / Joost Kloek en Wijnand Mijnhardt, p. 197-205)
‘Vooruitlopend op de grondwet – die immers nog heel wat overleg zou vergen – heeft de Nationale Vergadering in augustus 1796 alvast enkele knopen doorgehakt. De gereformeerde kerk verloor haar bevoorrechte positie, katholieken en dissenters kregen volledige burgerrechten gegarandeerd, en er kwam een volstrekte scheiding van kerk en staat.’
(Bron: Het ontstaan van het moderne Nederland : staats- en natievorming tussen 1780 en 1830 / onder red. van Wantje Fritschy en Joop Toebes, p. 77)

Visie kerkelijke instanties
Kerkrecht.nl, het digitale kenniscentrum op het gebied van geldend kerkrecht in Nederlandse Kerkgemeenschappen geeft een visie op de scheiding van kerk en staat vanuit kerkelijke hoek. De visie eindigt met deze conclusie:

In de loop van de tijd valt een terugtrekking door de overheid op het kerkelijk terrein te constateren. Er bestaan evenwel thans nog diverse regelingen die de speciale positie van kerkgenootschappen in Nederland markeren.

Van een absolute scheiding tussen kerk en staat is in Nederland geen sprake. Dit is naar mijn mening ook niet wenselijk: de overheid kan zich niet geheel afzijdig houden, doch dient er voor te zorgen dat de vrijheid van godsdienst ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.
(Bron: Kerkrecht.nl)

Plaats een reactie

U plaatst een reactie als gast